Home Home          Agenda Agenda          Zoeken Zoeken                                                     
 
Geschiedenis


 

De Oude Kerk maakt deel uit van de Rijksmonumenten. In 1413 werd op deze plek een kapel gesticht die in 1537 werd uitgebreid tot kerk. De officiële naam van de kerk was toen St. Anthonius Abt. Na de Reformatie werd deze kerk de Hervormde Kerk van Scheveningen. De kerk is een voorbeeld van een laatgotische pseudo-basiliek met éénbeukig koor. In 2008 is de restauratie van dit monumentale kerkgebouw afgerond.

 

De Oude Kerk op Scheveningen  -  Deel 1


Het gebouw

Wanneer de eerste bewoners ‘op’ Scheveningen kwamen wonen is niet bekend. Een van de vroegste vermeldingen van een buurtschap is te vinden in het zogenaamde ‘Oude Register van Graaf Florens’, samengesteld tussen 1280 en 1285 1. In 1307 moeten er al genoeg mensen hebben gewoond die recht hadden op goed bestuur. Want in dat jaar bepaalde hertog Willem V van Beieren dat Den Haag zou worden bestuurd door onder andere zeven schepenen. Van deze zeven moest er een uit Scheveningen komen. Deze kon de belangen van zijn dorp in Den Haag bepleiten of verdedigen.

Voor het eerst is sprake van een ‘capella de Sceveninghe’ in 1357. In dat jaar willigde dezelfde hertog op 17 september een verzoek in van de inwoners van zijn buurtschap. Zij hadden gevraagd, een kapel te mogen stichten waaraan een eigen priester was verbonden. Deze kapel werd inderdaad gebouwd en daarna gewijd aan Antonius Abt. De priester is ook bij name bekend: Willem Gerardszoon. Hij kon echter niet volledig zelfstandig handelen, want het kerkelijk reilen en zeilen stond onder het patronaat van de Haagse Sint Jacobskerk. Nog meer werd vanuit deze kerk geregeld. Zo benoemde de Haagse koster de Scheveningse functionaris als ‘onderkoster’. De priesters waren afkomstig uit de Abdij van Middelburg.

Voor het dopen, trouwen, begraven in gewijde aarde en het ter communie gaan – in ieder geval op Pasen - waren de gelovigen eveneens aangewezen op de Haagse kerk. Maar het gaan daar naartoe door de duinen kostte veel tijd en was voor zieken en bejaarden bijna niet mogelijk – de Scheveningseweg was immers nog niet aangelegd. Ook moest voor het vervoer van bijvoorbeeld een overledene een wagen worden gehuurd. Dat kostte geld, dat de arme bewoners te weinig bezaten.

In 1466 werd daarom de ‘kapel’ verheven tot ‘ecclesia’. Daardoor konden alle kerkelijke handelingen voortaan in het eigen dorp plaatsvinden. Ook bejaarde en zieke dorpsbewoners waren daarvan niet meer verstoken. Het moet de centrumfunctie van de reeds bestaande kapel vanaf dat jaar sterk hebben benadrukt. Werd korte tijd later daarom de huidige kerk gebouwd? Want in de kapconstructie zijn telmerken gevonden die zo te zien dateren uit de tweede helft van de vijftiende eeuw. En er werd in ieder geval in 1469 al begraven, zoals zal blijken.

Het grootste deel van de kerk, het ‘schip’, is driebeukig, heeft een zadeldak en een houten tongewelf. Het koor, het gedeelte waar het hoogaltaar stond, is voor vijf twaalfde deel gesloten. Aan de kant van de huidige Wassenaarsestraat – de noordkant – heeft al in 1464 een sacristie gestaan, de plaats waar de priester zijn gewaden en de benodigdheden voor de eredienst bewaarde. Aan de zijde van de Keizerstraat bezat de kerk een dwarsschip. Daaruit blijkt dat het gebouw lange tijd de vorm heeft gehad van een zogenaamde halve kruiskerk: een plattegrond, waaraan een van de korte armen van het kruis ontbreekt.

In de kerkruimte stonden in ieder geval vijf altaren. Ook hebben er beelden gestaan, waren er een of meer gebrandschilderde ramen, zongen geestelijken tijdens de mis en klonk een orgel. In het jaar 1483 moeten er ongeveer 190 mensen in het dorp hebben gewoond. Een aantal daarvan moest gaan bedelen, een groter deel probeerde inkomen te verwerven door de visvangst.

1 Muller Hz, S., ‘Het Oude Register van Graaf Florens’. In: Bijdragen en Mededelingen van het Historisch Genootschap  22 (1901) 90-357. Met ‘Graaf Florens’ wordt graaf Floris V (1254-1296) bedoeld.

 


 

De Oude Kerk op Scheveningen  -  Deel 2


Géén verwoestende storm, kerk níet weggespoeld in 1470
In de kerk bevindt zich een grafsteen met het jaartal 1469, ooit gelegd boven de laatste rustplaats van IJsbrant Arentszoon, die op 25 september dat jaar was overleden. De aanwezigheid van deze zware steen zou aantonen, dat tijdens een hevige storm die in 1470 aan de Hollandse en Zeeuwse kust veel schade zou hebben aangericht, het gebouw niet door de zee werd verzwolgen. Echter, recent nieuw onderzoek lijkt aan te tonen, dat deze ‘zware, verwoestende storm’ – zeker in die mate - nooit heeft plaatsgehad. Van het verdwijnen van het gehele gebouw is dus geen sprake geweest, hoewel vele geslachten door legendes de gebeurtenis steeds hebben geloofd. Het kan zijn dat dit verhaal is ontstaan na de Allerheiligenvloed van 1570. Toen werd wél een deel van het dorp door de zee weggeslagen, ongeveer tot aan de kerk toe.

Centrale functie
Het kan bijna niet anders dan dat, na het verheffen van de kapel tot kerk, het gebouw nog meer dan voorheen een centrale functie in het dorp vervulde. Het gebied er omheen moet veel groter zijn geweest dan de tegenwoordige ruimte binnen het muurtje. Het grotere terrein werd in ieder geval gebruikt als begraafplaats. Mogelijk stond zelfs de pastorie ook nog op dit grondgebied, de zogenaamde immuniteit.


De kerk als centrumfunctie werd in Scheveningen nog meer versterkt omdat daar officiële afkondigingen werden gedaan. Zo deed de bode van Den Haag een blijkbaar belangrijke afkondiging op zondag 2 maart 1561 in de kerk ‘na het sermoen [na de preek] onder de hoogmis. Het lijkt erop, dat er al vóór 4 maart 1500 een toren moet zijn geweest. Want de Haagse magistraat bepaalde op die dag, dat er op het strand (ter hoogte van de kerk) ’s morgens ‘nae de clocke zess’ vis mocht worden afgeslagen tot ‘die clocke negen heeft’. Een klok gaf dus de tijden aan waartussen de op het strand aangevoerde vis mocht worden verkocht. Die klok kan bijna niet anders dan in de kerktoren hebben gehangen. Het geluid moest immers tot op het strand hoorbaar zijn. Ook daardoor werd de centrale functie van het gebouw versterkt.

Tijdens de Allerheiligenvloed van 1 november 1570 werd, zoals gezegd, het deel van het dorp dat direct aan de kust lag door het zeewater weggeslagen. Daardoor kwam de kustlijn veel dichter bij de kerk te liggen. Na ongeveer twee eeuwen had de situatie rond het dorp zich zo ontwikkeld, dat het aan drie kanten werd omgeven door hoge duinen. De kerk – in de huidige vorm - werd omringd door een klein aantal huizen, gelegen aan enkele straten.

Rechts naast de toren heeft eeuwenlang tegen de buitenmuur een huisje gestaan, gebruikt als onderkomen voor bejaarde zeelieden. Dezen luidden bij storm de klok en zorgden ’s nachts voor vuur op het strand zodat schepen in nood – door het ontbreken van een haven – bij het dorp aan land konden komen.


 

De Oude Kerk op Scheveningen  -  DEEL 3

 
Veranderingen tijdens de Reformatie: de kerk bezet door paarden en soldaten
Na pogingen tot reformatie ontstond in 1517 in het Duitse Wittenberg binnen de Europese katholieke kerk ongewild een scheuring. Afgescheiden gelovigen gingen op den duur binnen eigen kerkstructuren verder als ‘protestanten’, in grote lijnen verdeeld in mennonieten, lutheranen en calvinisten.

Deze Reformatie bracht ook in Scheveningen een periode van onrust. Niet alleen voor de mensen maar ook voor het gebouw. Vanaf omstreeks 1566 was een strijd uitgebroken - later bekend als de Tachtigjarige Oorlog - tussen de landsheer Filips II, die ook koning van Spanje was, en opstandige groeperingen in de Nederlanden. Deze strijd was niet alleen ontstaan door religieuze verschillen, maar ook uit sociale en politieke onvrede. Door deze oorlog werd vanaf 1573 onder andere het nabij gelegen Leiden door de Spaanse vijand belegerd. De legers van de Prins van Oranje deden pogingen om de stad te ontzetten. Dat lukte op 3 oktober 1574.

Tijdens deze periode zijn grote delen van Zuid-Holland onder water gezet. Alleen de kuststrook met zijn duinen bleef  begaanbaar. Daarom werd hier in allerlei steden en dorpen rond Leiden voor soldaten, paarden en oorlogsmaterieel onderdak gezocht. Dat werd tussen 1573 en 1578 onder andere ook gevonden in de kerk van Scheveningen. Het gaf het gebouw een aantal jaren een geheel andere functie dan in de eeuwen daarvoor.

Na deze woelingen ontstond een wat rustiger vaarwater. De meeste Scheveningse gelovigen gingen over naar de zijde van de Reformatie. Door de nieuw benoemde kerkenraad werd in 1578 de pastoor vervangen door een predikant. Zoals zoveel kerkgebouwen werd ook de Scheveningse kerk eigendom van het lokale bestuur, dus van de Haagse magistraat. Deze stelde het gebouw ter beschikking aan de calvinistische gemeente, behalve de toren die het zelf bleef gebruiken. Nu veranderde ook veel aan het kerkinterieur. Uit het zogenaamde ‘koor’ werd het hoogaltaar verwijderd. Mogelijk is ook het orgel afgebroken, of buiten gebruik gesteld. Deze objecten herinnerden te veel aan de rooms-katholieke eredienst. Beelden en altaren werden – of waren tijdens de inkwartiering door het geuzenleger – eveneens weggehaald. Met behulp van een hek werd naderhand een afscheiding aangebracht tussen het koor en het schip. In de lege koorruimte werden op den duur catechisatiediensten gehouden. Ook waren er diensten, speciaal voor de armen.
 
 
 
De periode daarna
In de loop van de zeventiende eeuw moet het kerkelijk leven zich verder hebben gestabiliseerd. Pas in de achttiende eeuw kwamen er inwendig veranderingen. Er werd tussen 1756-1757 een nieuwe preekstoel geplaatst, met fraai snijwerk van Jozephus de Bondt. Deze ‘Meester Beelthouwer in hout, steen en snijwerk’ was in 1748 in de Scheveningse kerk getrouwd met Johanna van Groeneveld. Ook na het leveren van de decoraties aan de preekstoel kreeg hij met de kerk te maken. Want de volgende grote verandering in het interieur – en in de zangpraktijk - moet zijn geweest het plaatsen van een orgel. Het werd gebouwd door Gerard Steevens en in 1765 in gebruik genomen. Ook daarvoor leverde De Bondt het snijwerk.

Aan het eind van de negentiende eeuw volgde een ingrijpende restauratie van het interieur. Aan de noordkant werden tussen de pilaren galerijen aangebracht, waardoor meer zitplaatsen ontstonden. De muren, de pilaren, de houten kap en een aantal balken werden in negentiende-eeuwse stijl beschilderd. Ook werden de grafzerken afgedekt met plankieren waarop banken werden geplaatst.
 
 

 


Based on Joomla Design By Compass