Kerkgebouw

kop

Het begin
Het is niet bekend, wanneer zich eerste bewoners ‘op’ Scheveningen vestigden. E
én van de vroegste vermeldingen van een buurtschap is te vinden in het zogenoemde ‘Oude Register van Graaf Floris’, samengesteld tussen 1280 en 1285 [1]. In 1307 moeten er al genoeg mensen hebben gewoond die recht hadden op goed bestuur, omdat in dat jaar hertog Willem V van Beieren bepaalde, dat Den Haag zou worden bestuurd door onder andere zeven schepenen (enigszins te vergelijken met de huidige wethouders). Van deze zeven moest er een uit Scheveningen komen. Deze kon de belangen van zijn dorp in Den Haag bepleiten of verdedigen.

Voor het eerst is er sprake van een ‘capella de Sceveninghe’ in 1357. In dat jaar willigde dezelfde hertog op 17 september een verzoek in van de inwoners van zijn buurtschap. capellaZij hadden gevraagd, een kapel te mogen stichten waaraan een eigen priester was verbonden. Deze kapel werd inderdaad gebouwd en daarna gewijd aan Antonius Abt [2]. De priester is ook bij name bekend: Willem Gerardszoon. Hij kon echter niet volledig zelfstandig handelen, want het kerkelijk reilen en zeilen stond onder het patronaat van de Haagse Sint Jacobskerk. Nog meer werd vanuit deze kerk geregeld. Zo benoemde de Haagse koster de Scheveningse functionaris als ‘onderkoster’. De priesters waren afkomstig uit de Abdij van Middelburg.

Het dorp met de kerk en enkele huizen, getekend door de Scheveninger Adriaen Coenen (1514-1587). Hij plaatste deze schets in zijn Visboeck, dat hij samenstelde tussen 1577 en 1581. Voor de kust drijven een zevental scheepjes.

Voor het dopen, trouwen, begraven in gewijde aarde en het ter communie gaan – in ieder geval op Pasen – waren de Scheveningse gelovigen eveneens aangewezen op de Haagse kerk. Maar het gaan daar naartoe door de duinen kostte veel tijd en was voor zieken en bejaarden bijna niet mogelijk – de gemakkelijk begaanbare Scheveningseweg was immers nog niet aangelegd. Ook moest voor het vervoer van bijvoorbeeld een overledene een wagen worden gehuurd. Dat kostte geld, dat de arme bewoners te weinig bezaten.

Een dwarse kerkmeester
In 1466 werd daarom de kapel verheven tot ‘ecclesia’ en werd de kerkelijke gemeente losgemaakt van Den Haag. Dat gebeurde mede door het dwingend ingrijpen – tegen de wil van hogere bestuurders in – van de Scheveningse kerkmeester IJsbrant Arentszoon die hier later nog ter sprake komt. Daardoor konden alle religieuze handelingen voortaan in het eigen dorp plaatsvinden. monnikenOok bejaarde en zieke dorpsbewoners waren daarvan nu niet meer verstoken. Het moet de centrumfunctie van de reeds bestaande kapel vanaf dat jaar sterk hebben benadrukt. Werd korte tijd later daarom de huidige kerk gebouwd? Want in de kapconstructie zijn telmerken gevonden die zo te zien dateren uit de tweede helft van de vijftiende eeuw. En er werd in ieder geval in 1469 al begraven, zoals zal blijken.

Buiten en binnen
Het grootste deel van de kerk – het ‘schip’ – werd driebeukig, kreeg een zadeldak en een houten tongewelf – dus in de vorm van een halve ton. Het koor, het gedeelte waar het hoogaltaar stond, werd voor vijf-twaalfde deel gesloten. Aan de kant van de huidige Wassenaarsestraat – de noordkant – heeft al in 1464 een sacristie gestaan, de plaats waar de priester zijn gewaden en de benodigdheden voor de eredienst bewaarde. Aan de zijde van de Keizerstraat bezat de kerk een dwarsschip. Daaruit blijkt dat de vorm lange tijd die van een zogenoemde halve kruiskerk is geweest: een plattegrond, waaraan een van de korte armen van het kruis ontbreekt.

In de kerkruimte stonden in ieder geval vijf altaren. Ook hebben er beelden gestaan, waren er een of meer gebrandschilderde ramen, zongen geestelijken tijdens de mis en klonk er een orgel. In het jaar 1483 moeten er ongeveer 190 mensen in het dorp hebben gewoond. Een aantal daarvan moest gaan bedelen, een groter deel probeerde inkomen te verwerven door visvangst.

Geen verwoestende storm: kerk niet weggespoeld in 1470
kerk1470In de kerk bevindt zich een grafsteen met het jaartal 1469, ooit gelegd boven de laatste rustplaats van de hierboven genoemde kerkmeester IJsbrant Arentszoon, die op 25 september dat jaar was overleden. De aanwezigheid van deze zware steen zou aantonen, dat tijdens een hevige storm die in 1470 aan de Hollandse en Zeeuwse kust veel schade zou hebben aangericht, het gebouw niet door de zee werd verzwolgen. Echter, recent nieuw onderzoek lijkt aan te tonen, dat deze ‘zware, verwoestende storm’- zeker in die mate – nooit heeft plaats gehad. Van het verdwijnen van het gehele gebouw is dus geen sprake geweest, hoewel vele geslachten door legendes de gebeurtenis steeds hebben geloofd. Het kan zijn dat dit verhaal is ontstaan na de Allerheiligenvloed van 1 november 1570. Toen werd wél een deel van het dorp door de zee weggeslagen, ongeveer tot aan de kerk toe.

Cornelis Emandts (1641-1687) maakte in 1664 een kopie van een ouder schilderij – van een onbekende meester – dat in de Oude Kerk hing. Te zien is de situatie vóór de Allerheiligenvloed van 1 november 1570 toen het deel tussen kerk en strand nog werd bewoond.

Centrale functie
Het kan bijna niet anders dan dat, zoals gezegd na het verheffen van de kapel tot kerk, het gebouw nog meer dan voorheen een centrale functie in het dorp vervulde. Scheveningen is immers nooit een zelfstandig dorp geworden, maar is steeds vanuit Den Haag bestuurd. Er is daarom nooit een eigen dorps- of gemeentehuis geweest.

Het gebied rond de kerk moet veel groter zijn geweest dan de tegenwoordige ruimte binnen het muurtje. Het grotere terrein werd in ieder geval gebruikt als begraafplaats. Mogelijk stond zelfs de pastorie ook nog op dit grondgebied, de zogenaamde immuniteit.

De kerk als centrumfunctie werd nog meer versterkt omdat daar de officiële afkondigingen werden gedaan. Zo deed bijvoorbeeld de bode van Den Haag een blijkbaar belangrijke afkondiging op zondag 2 maart 1561 in de kerk ‘na het sermoen’ [na de preek] onder de hoogmis.

De toren: baken, ook voor de vissers
oktorenHet lijkt erop dat er al vóór 4 maart 1500 een toren moet zijn geweest. Want de Haagse magistraat bepaalde op die dag dat er op het strand (ter hoogte van de kerk) ’s morgens ‘nae de clocke zes’ vis mocht worden afgeslagen tot ‘die clocke negen heeft’. Die vishandel mocht ook nog plaatsvinden van ’s middags twee tot ’s avonds zeven uur. Een klok gaf dus de tijden aan waartussen de op het strand aangevoerde vis mocht worden verkocht. Die klok kan bijna niet anders dan in de kerktoren hebben gehangen. Het geluid moest immers tot op het strand hoorbaar zijn. Ook daardoor werd de centrale functie van het gebouw versterkt.

Tijdens de Allerheiligenvloed van 1 november 1570 werd, zoals gezegd, het deel van het dorp dat direct aan de kust lag door het zeewater weggeslagen. Daardoor kwam de kustlijn veel dichter bij de kerk te liggen. Na ongeveer twee eeuwen had de situatie rond het dorp zich zo ontwikkeld, dat het aan drie kanten werd omgeven door hoge duinen. De kerk – in de huidige vorm – werd omringd door een klein aantal huizen, gelegen aan enkele straten.

Klinkers
klinkersRechts naast de toren heeft eeuwenlang tegen de buitenmuur van de kerk een huisje gestaan. Het werd permanent gebruikt door zeelieden die niet meer voeren en dienst deden als klinkers – dorpsomroepers. Er waren zes klinkers: vijf hadden in het dorp een eigen wijkje. De zesde had vooral tot taak zaken af te roepen die géén verband hielden met de visvangst. Hij was daarom in dienst van de Gemeente Den Haag. De klinkers maakten in het dorp met behulp van een bekken bekend dat er schepen op het strand waren aangekomen: een teken dat de visafslag kon beginnen. Ze hielden ook toezicht in de kerk, luidden indien nodig de klok, vooral bij storm en zorgden ’s nachts voor vuurpotten en fakkels op het strand zodat schepen – door het ontbreken van een haven – bij het dorp aan land konden komen. De laatste klinker overleed in 1964. Het waakhuisje is allang verdwenen.

‘De klokkenluiders van Scheveningen’. Naar een tekening van Edwin A. Abbey [september 1881]. In: G.H. Boughton, Sketching Rambles in Holland (New York 1885). Bijzonder is, dat in een (buitenlands) reisverslag een illustratie met klokkenluiders als onderwerp werd opgenomen. De twee mannen rechts, die aan het onderaan gesplitste touw trekken dat naar de enige toen aanwezige luidklok leidde, zijn waarschijnlijk ‘klinkers’.

Van rooms-katholiek naar calvinistisch: hinnikende paarden en ruig volk in de kerk
calvijnNa pogingen tot een algemene reformatie van de katholieke kerk ontstond in 1517 in het Duitse Wittenberg binnen de Europese rooms-katholieke kerk ongewild een scheuring. Afgescheiden gelovigen gingen op den duur binnen nieuwe eigen kerkstructuren verder als ‘protestanten’, in grote lijnen verdeeld in mennonieten, lutheranen en calvinisten.

Deze Reformatie bracht ook in Scheveningen een periode van onrust. Niet alleen voor de mensen maar ook voor het gebouw. Vanaf omstreeks 1566 was een strijd uitgebroken – later bekend als de Tachtigjarige Oorlog – tussen de landsheer Filips II, die ook koning van Spanje was, en opstandige groeperingen in de Nederlanden. Deze strijd was niet alleen ontstaan door religieuze verschillen, maar ook uit sociale en politieke onvrede. Door deze oorlog werd vanaf 1573 onder andere het nabij gelegen Leiden door de Spaanse vijand belegerd. De legers van de Prins van Oranje deden pogingen om de stad te ontzetten. Dat lukte op 3 oktober 1574.

zuidhollandTijdens deze periode zijn grote delen van Zuid-Holland onder water gezet. Alleen de kuststrook met zijn duinen bleef begaanbaar. Daarom werd hier in allerlei steden en dorpen rond Leiden voor soldaten, paarden en oorlogsmaterieel onderdak gezocht. Dat werd tussen 1573 en 1578 onder andere ook gevonden in de kerk van Scheveningen. Het gaf het gebouw een aantal jaren een geheel andere functie dan in de eeuwen daarvoor!

Situatie tijdens het beleg van Leiden in 1574. Grote delen van het land waren onder water gezet. Den Haag staat aangegeven met HAGHE. Het dorp ligt droog door de ligging op een strandwal. Scheveningen is net niet te zien. Platte scheepjes met geuzen en andere opstandelingen varen vanuit Delft (links onder) naar het noorden, richting Leiden (rechts boven) (Prent, uitgegeven door Frans Hogenberg, 17de eeuw).

In rustiger vaarwater
Na deze woelingen ontstond een wat rustiger vaarwater. De meeste Scheveningse gelovigen gingen over naar de kant van de Reformatie. Door de nieuw benoemde kerkenraad werd in 1578 de pastoor vervangen door een predikant. Zoals zoveel kerkgebouwen werd ook de Scheveningse kerk eigendom van het lokale bestuur, dus van de Haagse magistraat – Scheveningen was immers geen zelfstandig dorp. Deze stelde het gebouw ter beschikking aan de Scheveningse kerkelijk zelfstandige, calvinistische gemeente. Behalve de toren: die bleef Den Haag zelf gebruiken.

walvisEr veranderde ook veel ín het kerkinterieur. Uit het zogenaamde ‘koor’ werd het hoogaltaar verwijderd. Mogelijk is ook het orgel afgebroken of buiten gebruik gesteld. Deze objecten herinnerden te veel aan de rooms-katholieke eredienst. Beelden en altaren werden – of waren tijdens de inkwartiering door het geuzenleger – eveneens weggehaald. Wat ervoor in de plaats kwam was onder andere … een kaak en enkele wervels van een potvis. Het ongeveer 20 meter lange dier was in 1617 op het strand aangespoeld. Delen van het skelet werden in de kerk bewaard en zijn daar nog steeds, in een hoek van de kerk bij de noordmuur – dus al bijna vierhonderd jaar.

Met behulp van een hek werd naderhand een afscheiding aangebracht tussen het koor en het schip. In de lege koorruimte werden op den duur catechisatiediensten gehouden. Ook waren er diensten, speciaal voor de armen.

Het uurwerk van Huygens
uurwerkDe Scheveningse toren heeft in (internationale) uurwerkmakers-kringen en bij allen die in deze materie zijn geïnteresseerd enige bekendheid gekregen. De Nederlandse wiskundige Christiaan Huygens (1629-1695) was op zoek naar de mogelijkheid uurwerken nauwkeuriger te laten lopen met behulp van een slinger. Hij deed daartoe proeven in de Scheveningse toren. Op 23 januari 1658 tekende hij de voortgang van zijn experimenten aan: Het werk op Scheveningen is tegenwoordig aan de gang, heeft dezen nacht gegaan [gelopen]; de bol is een gewicht van 50 pond, doch denke wat minder er aan te hangen, en zijn veer en ketting wat anders te maken: het heeft naar gissing een quartier in 24 uren verloopen. Ik meijne op morgen na den middag daar weer heen te gaan. Zijn proeven hebben uiteindelijk alom in Europa en daarbuiten geleid tot een veel nauwkeuriger tijdaanduiding.

De internationale bekendheid bleek een aantal jaren geleden: toen stond een groepje Japanners aan de kerkdeur met de vraag ‘of zij het uurwerk van Huygens mochten zien’. Het werd echter in de achttiende eeuw vervangen voor het huidige, dat echter niet meer in gebruik is. In december 1966 werden de wijzeraansturing en het slagwerk door de Gemeente Den Haag geëlektrificeerd.

Fraai en kostbaar meubilair
In de loop van de zeventiende eeuw moet het kerkelijk leven zich verder hebben gestabiliseerd, onder leiding van komende en gaande predikanten en kerkenraden. Pas in de achttiende eeuw kwamen er inwendige veranderingen. Tussen 1756-1757 werd een nieuwe preekstoel geplaatst, met fraai snijwerk van Jozephus de Bondt. Deze ‘Meester Beelthouwer in hout, steen en snijwerk’ was in 1748 in de Scheveningse kerk getrouwd met Johanna van Groeneveld. meubilairOok na het leveren van de decoraties aan de preekstoel kreeg hij met de kerk te maken. Want de volgende grote verandering in het interieur – en in de zang door de gemeente – moet zijn geweest het plaatsen van een orgel. Het werd gebouwd door Gerard Steevens en op 12 mei 1765 in gebruik genomen. Het was fraai versierd met vijf wapenschilden van Scheveningse kerkmeesters, met twee vergulde ‘zee-mannen’ – die als het ware de orgelkas ‘droegen’ – en met ander snijwerk. Ook dat werd door Jozephus de Bondt gestoken. Het is jammer dat de vijf wapenschilden en de vergulde zee-mannen reeds lang zijn verdwenen. Wat overbleef zijn de drie beelden op het orgel – met koning David en zijn harp in het midden -, de wijzerplaat én op twee plaatsen snijwerk met muziekinstrumenten. Van het hier getoonde is van de viool helaas de hals afgebroken.

Veranderingen die weer verdwenen
pilarenDe negentiende eeuw lijkt geen grote veranderingen te hebben gekend. Die kwamen er wél aan het eind. stucwerkIn het interieur werden aan de noordkant tussen de pilaren galerijen aangebracht, waardoor meer zitplaatsen ontstonden. De muren, de pilaren, de houten kap en een aantal balken werden in negentiende-eeuwse stijl beschilderd. Ook werden de grafzerken afgedekt met plankieren.

Na ongeveer vijftig jaar begon men de inrichting ouderwets te vinden. De ideeën over restauraties en het inrichten van historische kerkinterieurs was veranderd. Daarom vonden wederom grote ingrepen plaats. Dat gebeurde tijdens de periode die in februari 1957 begon en met de her-ingebruikneming op 27 augustus 1959 eindigde. De galerijen werden weggebroken en het stucwerk gewit. De ruim honderd onder de plankieren verdwenen grafzerken werden weer zichtbaar gemaakt, maar anders gelegd. Tegen de mode van die tijd in bleef de preekstoel gelukkig op de protestants/calvinistische plaats staan: halverwege de lange kant van het schip met aan drie zijden daaromheen het bankenplan.

De rijkdom van twee orgels
koororgelZoals reeds gezegd, werd op 12 mei 1765 een nieuw orgel in gebruik genomen. Ook daaraan werd in de loop van de eeuwen gerestaureerd en veranderd: tussen 1839 en 1845 door de firma Lohman te Gouda, in 1932 door orgelbouwer De Koff en in 1972 door de firma Flentrop te Zaandam. Gelukkig bleef steeds de kas de fraaie eenheid met de orgelgalerij behouden.

Het resultaat heden is, dat het instrument twee klavieren en een vrij pedaal kent met de volgende registers:

Hoofdwerk: Bourdon 16, Prestant 8, Bourdon 8, Quintadeen 8, Octaaf 4, Roerfluit 4, Quint 2 2/3, Octaaf 2, Fluit 2, Mixtuur III-V, Cornet 3 st., Trompet 8. Bovenwerk: Baarpijp 8, Roerfluit 8, Viola da Gamba 8, Octaaf 4, Fluit 4, Woudfluit 2, Flageolet 1, Dulciaan 8. Pedaal: Subbas 16, Prestant 8, Octaaf 4, Bazuin 16, Trompet 8. Voorts de gebruikelijke koppelingen en een tremulant over het gehele werk.

De restauratie tussen 1957 en 1959 had mede tot gevolg, dat op 20 april 1961 in het koor een tweede orgel in gebruik werd genomen. Het was in 1791 door J.M. Garstenhauer gebouwd. Na veel omzwervingen vond het tot heden een plaats in de Scheveningse moederkerk. De dispositie van dit charmante instrument met één klavier en aangehangen pedaal is: Prestant 8, Octaaf 4, Quint 2 2/3 , Octaaf 2, Mixtuur III-IV, Gamba 8, Holpijp 8, Fluit 4, Sesquialter I-II en Flageolet 1.

De toren: één geheel met de kerk maar tóch apart
klokDoor de scheiding van Kerk en Staat die in 1798 in gang werd gezet, bleef de toren eigendom van de burgerlijke gemeente. Het overige deel van het kerkgebouw werd eigendom van de Hervormde Gemeente Scheveningen. Daardoor is ook het onderhoud van de toren voor rekening van Den Haag: restauraties lopen daarom niet altijd gelijk met die van de overige delen.

Eeuwenlang hebben in de toren minstens twee klokken gehangen. Een werd in Den Haag gegoten door Conraet Antonisz. in 1597, over de andere – kleiner – is niets bekend. Deze situatie veranderde in 1798. De kleine klok bleek gescheurd. Deze werd daarom door de Gemeente Den Haag verkocht voor 250 gulden maar niet vervangen. Voortaan deed de oude klok uit 1597 al het werk: dag en nacht de tijd aangeven op hele en halve uren en dagelijks luiden voor wereldlijk én kerkelijk gebruik. Op Monumentendag 2013 werd door de gemeente Den Haag, in de persoon van wethouder R. Baldewsingh, de situatie van 1798 hersteld door het plaatsen van een tweede klok.

De beide luidklokken in de toren. De oude uit 1597, daarboven de op Monumentendag 2013 geplaatste tweede klok. Rechts van de luidconstructie zijn enkele klokjes van het carillon te zien.

De rijkdom van 37 speelklokken
In de Nederlanden is het sinds de vijftiende eeuw gewoonte geworden, in de toren een reeks bronzen en zuiver gestemde klokken te hangen. Deze spelen als een vorm van openbare tijdaanduiding een kort melodietje, voorafgaande aan de klokslag van heel en half uur. Ook werd het gebruikelijk van stadswege een musicus op gezette tijden op deze klokken te laten spelen met behulp van een klavier, bij voorkeur tijdens de markt.

In deze lange traditie kreeg Scheveningen in 1975 een spel met 37 klokken in de toren. Het werd deels geschonken door inwoners, door de winkeliersvereniging van de Keizerstraat en door een bijdrage van de Gemeente Den Haag. Het voegde zich toen bij de honderden instrumenten die in de Nederlanden dagelijks klinken. In 2014 werd deze bijzondere soort klokkencultuur erkend als Immaterieel Cultureel Erfgoed.

Nog steeds in de vaart
Nog steeds is de kerk het hart van Scheveningen. Ondanks alle veranderingen rondom. Al jaren is het in mei het vertrekpunt voor de jaarlijkse herdenking van degenen die op zee zijn omgekomen. De onthullingsplechtigheid van het Vissershavenmonument op 26 mei 2013 begon er, evenals de herdenkingen in het kader van ‘200 jaar Koninkrijk’ met de feestelijke start op 30 november 2013 voorafgaande aan en na afloop van de nagespeelde landing van de Prins van Oranje op het strand. Iedere zondag zijn er mensen die weer de gang naar de kerkdienst maken, heel trouw. Er wordt nog steeds vanuit de kerk getrouwd en begraven. Er zijn concerten en zangavonden. De openstelling van de kerk op zaterdagmiddagen lijkt aan te slaan.

alphaomegaHet gebouw is niet meer zo sterk de visserskerk zoals in de afgelopen eeuwen. Maar het is wel het weinige dat nog van het oude vissersdorp is overgebleven: De Oude Kerk aan de Keizerstraat op Scheveningen. En gelukkig ook nog altijd het kloppend hart van een kerkelijke gemeente, waarvoor het eeuwen geleden werd gebouwd.

Wie meer wil weten
J.C. Vermaas, Geschiedenis van Scheveningen. ’s-Gravenhage 1926
J.C. van der Loos, Geschiedenis van katholiek Scheveningen. Haarlem 1930
G. ’t Hart, De Oude kerk te Scheveningen, haar grafschriften en andere monumenten. ’s-Gravenhage 1960
Schelhaas, N., Kerken op Scheveningen. Den Haag 2009
Weel, Heleen van der, De Oude Kerk op Scheveningen. Het reilen en zeilen van een visserskerk in verleden en heden. Amsterdam 2014 (derde druk)
M. van Doorn en K. Stal (red.), Geschiedenis van Scheveningen. Deel 1: Vroegste tijden tot 1875. Zutphen 2013. Verschijning Deel II 29 november 2014.

__________________________________

[1] Muller Hz, S., ‘Het Oude Register van Graaf Florens’. In: Bijdragen en Mededelingen van het Historisch Genootschap 22 (1901) 90-357. Met ‘Graaf Florens’ wordt graaf Floris V (1254-1296) bedoeld.
[2] Antonius van Egypte, Antonius-Abt of Antonius de Grote moet hebben geleefd van 251 tot 357 – inderdaad 105 jaar lang. Hij was een van de eersten die volgelingen om zich heen verzamelde en daarmee in de woestijn in het oosten van Egypte een klooster stichtte. Daarom wordt hij ook wel ‘vader van het kloosterleven’ genoemd. Zijn attribuut is een klokje, zijn naamdag werd vastgesteld op 17 januari.